De piekenier is een onmisbare soldaat in het leger ten tijde van de 80-jarige oorlog. Met zijn piek van 3 tot ruim 5 meter lang, vormde de piekeniers het aanvalsleger van die tijd. De kracht van de piekenier was om in teamverband te werken, namelijk in blokken van 100 man opgesteld in 10 man breed en 10 man diep. De piekenier valt zowel aan maar heeft daarnaast ook een beschermende functie om aanvallen van de cavalerie en vijandelijke piekeniers tegen te houden om zo de kwetsbaardere musketiers en kanonniers te beschermen.

In de begingeschiedenis waren de piekeniers niet zo gestructureerd, vele waren immers huurlingen die elk op hun eigen manier handelingen uitvoerden. Prins Maurits was de eerste die de kunst van het piekenieren perfectioneerde en zijn soldaten dezelfde technieken leerde met eenduidige commando’s. Later heeft Jacques de Gheyn de handelingen van de piekeniers en musketiers getekend in zijn werk “Wapenhandelinghe” uit 1607. 

De piekenier was naast met de piek, ook gewapend met een zwaard en/of dolk. Dit voor als bijvoorbeeld een ruiter van zijn paard viel, hij deze direct kon neersteken of voor gebruik in man op man gevechten. Voor zijn eigen bescherming had een piekenier vaak een piekeniersharnas (kuras) en/of leren onderjas die als een soort steekvrij vest moest dienen. Soms werden hier ook stalen maliën in verwerkt. Deze jassen waren echter niet kogelwerend…